AAR! Determinatie!?! Hemigrapsus op Texel

Hemigrapsus sanguineus (links) en Hemigrapsus takanoi (rechts)
Kleine mantelmeeuw, gebalgd

AAR! Determinatie!?! Dit was de noodkreet van Erwin Kompanje, vergezeld van enkele foto’s van twee krabbetjes, die hij op 13 september 2020 even tevoren uit de maag van een vleugellamme Kleine mantelmeeuw (Larus fuscus graellsii, Brehm, 1857) had gehaald. Hij vond de meeuw in de haven van Oudeschild op Texel. Aan de vorm van de carapax (het rugschild) en de scharen was gelijk duidelijk dat het hier een Hemigrapsus betrof. In de eerste instantie dacht ik aan de penseelkrab, Hemigrapsus takanoi Asakura & Watanabe, 2005. Die soort ken ik goed van vindplaatsen in Zeeland, de Maasvlakte en Hoek van Holland, maar deze krabbetjes zagen er toch wat anders uit.  Derhalve in de literatuur gedoken.

Ik kwam uit op de blaasjeskrab, Hemigrapsus sanguineus (De Haan, 1835 [in De Haan, 1933-1850]). Deze soort dankt zijn naam aan een lederachtige blaas aan de basis van het beweegbare schaardeel, bij de mannelijke exemplaren. De mannelijke exemplaren H. takanoi hebben een pluk penseelachtige haren aan de buitenzijde van de scharen. Een nog beter kenmerk (ook voor vrouwelijke exemplaren) is de zogenaamde infra-orbitale richel, aan de voorkant van het rugschild, onder de ogen, zie foto’s. Bij H. sanguineus is deze vrij regelmatig en bij H. takanoi op verscheidene plaatsen ingesnoerd en ingedeukt. Campbell & Nijland beschrijven in het tijdschrift “Het Zeepaard” de eerste vondst van het Nederlandse strand in april 2003[1] op de pier van Hoek van Holland. In dit artikel geven de auteurs de hiervoor genoemde determinatie kenmerken om de in Nederland voorkomende Varunidae te onderscheiden. De Varunidae is de krabbenfamilie waartoe het genus Hemigrapsus behoort, alle Nederlandse vertegenwoordigers van de Varunidae komen oorspronkelijk uit Zuidoost Azië en zijn dus exoten voor onze fauna. Er is nog een derde, veel grotere soort: de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis H. Milne Edward, 1853). Deze krab is voor het eerst in 1931 in Nederland waargenomen en is algemeen verspreid in ons land langs de kust, in rivieren, kanalen en meren. De Chinese wolhandkrab verdraagt zowel zee-, zoet- als brakwater probleemloos. Er zijn allerlei oorzaken waardoor exotische dieren en planten ons land weten te bereiken, in het geval van de hier beschreven krabben is ballastwater van schepen een belangrijke oorzaak. Enfin, op het label bij de Kleine mantelmeeuw kwam te staan “stomach contains: 2 x Hemigrapsus sanguineus”.

Hemigrapsus sanguineus
Hemigrapsus takanoi

Omdat de Kleine mantelmeeuw, die de krabben had gegeten, door een gebroken rechtervleugel niet kon vliegen, moest ie de krabben ter plaatse hebben gevangen. Om te verifiëren of de blaasjeskrab daadwerkelijk in de haven van Oudeschild leeft, bezochten Erwin, Ditty van Duijn en ik Texel in het weekend van 7-8 november 2020 om daar de situatie in ogenschouw te nemen.

Kaart Texel met daarop de vindplaatsen geplot

We bezochten drie locaties aan de wadkant van Texel, zie de spelden op het kaartje. In de eerste plaats de haven van Oudeschild. De dijkvoet bestaat daar uit keerbare stenen op een bodem van modder en onder de stenen wemelde het van de Hemigrapsus. Zowel H. sanguineus als H. takanoi. H. sanguineus echter veel algemener (verhouding 4:1). Verder bemonsterden we de Mokbaai en De Volharding, deze milieus zijn wat zandiger. Ook hier tref je de krabben onder stenen aan, voorwaarde is wel een goed laagwater. In de Mokbaai lag de verhouding H. sanguineus/H.takanoi op 8:1 en op een stenig stuk strand bij De Volharding 3:1. Op deze laatste locatie vonden we ook voor eerst juveniele strandkrabben, Carcinus maenas (Linnaeus, 1758). De strandkrab is een soort die van oorsprong in onze regio voorkomt. In de haven van Oudeschild noch in de Mokbaai troffen we levende strandkrabben aan, alleen enkele oude rugschilden op de dijk, die waren achtergebleven na meeuwen predatie.

Impact

Litoraal De Volharding, Texel (foto Ditty van Duijn)

Met ons bezoekje aan Texel hebben we met zekerheid kunnen vaststellen dat Hemigrapsus sanguineus en Hemigrapsus takanoi overvloedig voorkomen op de door ons bezochte locaties, waarbij H. sanguineus de boventoon voert. Natuurlijk is een steekproef, zoals onze trip naar Texel, onvoldoende om iets te kunnen zeggen over de ecologische impact van deze exoten op de autochtone fauna van het eiland, maar het feit dat Carcinus maenas op onze vindplaatsen vrijwel verdwenen is, geeft toch te denken. Het Nederlands Soortenregister van Naturalis geeft aan dat er aanwijzingen zijn dat zowel de blaasjeskrab als penseelkrab concurreren met andere soorten krabben (vooral C. maenas). Dit is ook wat wij gezien hebben. Omdat H. sanguineus zeewier eet, bestaat de kans met name jonge aanwas van zeewier wordt belemmerd naarmate de populatie van deze krabben in hoge mate toeneemt. De blaasjeskrab is ook geïntroduceerd in Noord-Amerika. Onderzoek van Brousseau en collega’s (uitgevoerd in de Long Island Sound, New York) toont aan dat naast macro algae (zeewier), ook zeepokken, wormen, amphipoden en juveniele “Blue Mussels” op het menu van H. sanguineus staan. Hun onderzoek richt zich met name op de Blue Mussel en dat is dezelfde soort als ons mossel (Mytilus edulis Linnaeus 1758). Brousseau’s team stelde vast dat H. sanguineus verantwoordelijk is voor een mortaliteit van 25% binnen de populatie Mytilus edulis in het litoraal van hun onderzoeksgebied: Black Rock Harbor. De impact van deze exoten zou dus wel eens verder kunnen gaan dan het verdringen van strandkrabben en het verslinden van de aanwas van zeewier…

Al met al reden genoeg om deze krabbetjes in de gaten te houden. In februari volgend jaar gaan we kijken hoe het staat met de Hemigrapsus krabben op Texel, wordt vervolgd.

Auteur verzamelt Hemigrapsus in de haven van Oudeschild (foto Erwin Kompanje)

Meer weten?

Op het internet zijn vele bronnen die nadere informatie geven over (invasieve) plant- en diersoorten, hieronder enkele links die specifiek de Vanuridae bespreken:

De website van Stichting Anemoon: https://www.anemoon.org/flora-en-fauna/soorteninformatie/soorten/id/181/blaasjeskrab en de verspreidingsatlas van Stichting Anemoon: https://www.verspreidingsatlas.nl/S900034

Het Nederlands Soortenregister van Naturalis: https://www.nederlandsesoorten.nl/linnaeus_ng/app/views/species/nsr_taxon.php?id=143705

Waarneming.nl: https://waarneming.nl/taxa/13693

World Register of Marine Species (WoRMS): http://www.marinespecies.org/aphia.php?p=taxdetails&id=158417

Global Biodiversity Information Facility (GBIF): https://www.gbif.org/occurrence/map?taxon_key=2225772

Referenties

Brousseau, Diane J., Ronald Goldberg and Corey Garza, 2014. Impact of Predation by Invasive Crab Hemigrapsus sanguineus on Survival of Juvenile Blue Mussels in Western Long Island Sound. Northeastern Naturalist 21(1): 199-133

Campbell, S en Nijland, R, 2004. De Blaasjeskrab, Hemigrapsus sanguineus, voor het eerst op het Nederlandse strand.  Het Zeepaard 64(2): 40-44


[1] Het Nederlandse Soortenregister geeft 1999 aan als jaar van eerste introductie in Nederland van Hemigrapsus sanguineus

Geplaatst in Marine biology, Mollusca, Natural history | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Magallana gigas (Thunberg, 1793) massaal op de Maasvlakte

Erwin Kompanje toont een Magallana gigas (foto: Ditty van Duijn)

4 oktober 2020 stuurde Erwin Kompanje mij enkele interessante foto’s. Daarop is een strand te zien dat bezaaid is met letterlijk tienduizenden oesterdoubletten. Hij was op dat moment met Ditty van Duijn op het strand van de Edisonbaai op de Maasvlakte.

Bij nadere beschouwing bleek het te gaan om de Japanse oester, Magallana gigas (Thunberg, 1793). Dit is een zogenaamde invasieve exoot. Dat wil zeggen: een planten- of diersoort die al dan niet opzettelijk door de mens is geïntroduceerd. Op zich hoeft dat niet erg te zijn, als zo’n nieuwkomer natuurlijke vijanden heeft, moeite heeft zich aan te passen aan het milieu of klimaat. In zo’n geval vestigt de exoot zich in een niche zonder veel schade aan te richten of sterft ze uit. Het wordt problematisch als het gaat om een soort die wel de capaciteit heeft om zich snel aan te passen, weinig natuurlijke vijanden heeft, (zeer) snel groeit en zich voortplant. Dit laatste doet de Japanse oester en wordt daarom gezien als een van de 100 “Most invasive Alien Species in Europe”.

Magallana gigas vormt riffen, kennelijk is dit ook het geval in de Edisonbaai. Dit laat zien dat de soort zich vrijwel overal kan vestigen. Het strandje ligt op de Maasvlakte in de monding van de Nieuwe Waterweg, midden in het industriële hart van de Rotterdamse haven, een gebied met heel veel verstoring door de duizenden schepen, die jaarlijks passeren. De Edisonbaai ligt wel enigszins beschermd door een pier, dit zal waarschijnlijk het substraat zijn, waarop de soort zich weet te handhaven.

Crowded forms

Wat opvalt bij nader bezien van de schelpen van Magallana gigas is dat veel schelpen bijzonder smal en langgerekt zijn. Dit zijn zogenaamde crowded forms. Ik ken dit verschijnsel van Cirripedia (zeepokken). Als er zeer veel individuen op een beperkte oppervlakte groeien, passen zij zich aan en vormen een langgerekte schelp, dit is de meest succesvolle strategie om niet overwoekerd te raken en zo geen toegang meer te hebben tot voedsel.

Crowed forms, naast een “normale” oester (foto Erwin Kompanje)

What’s in a name

Toen Frans Slieker en ik eind zeventiger jaren van de vorige eeuw in de Oosterschelde voor het eerste doubletten van Magallana gigas tussen de bekende Platte oester, Ostrea edulis Linnaeus, 1758, vonden, noemden we die Portugese oesters, Crassostrea angulata (Lamarck, 1819), die met oester- en mosselbroed geïmporteerd zouden zijn uit het zuiden van Europa. Later heeft nader onderzoek uitgewezen dat het hier gaat om de Japanse oester, Crassostrea gigas (Thunberg, 1793). Voor het eerst in 1928 aangevoerd uit mariene estuariene kustwateren van Japan en Zuidoost-Azie, als alternatief voor de ingestorte oestercultuur van de Platte oester, zie ook het Nederlands soortenregister [1].

Inmiddels heeft M. Huber in 2010 onze Crassostrea angulata beschreven als een junior synoniem van Crassostrea gigas, de Japanse oester. Moleculair taxonomisch onderzoek van D. Salvi & P. Mariottini (2016) heeft ertoe aanleiding gegeven om voor Crassostrea gigas en enige andere oestersoorten een nieuw genus op te richten, namelijk: Magallana, vernoemd naar de Portugese ontdekkingsreiziger Fernão de Magalhães. Het blijft dus toch een beetje een Portugese oester…

Magallana gigas op het wad van Texel

Dit was niet eerste keer dat we Magallana gigas zagen dit jaar. In maart waren Erwin, Ditty en ik op Texel, ook daar troffen we tientallen doubletten van Magallana gigas aan op een strandje aan de wadkant van het eiland, een paar kilometer ten noorden van Oudeschild.

De verzamelde schelpen van Magallana gigas bevinden zich in de collectie van het Natuurhistorisch Museum te Rotterdam:

Ditty van Duijn en auteur op Texel (foto Erwin Kompanje)

NMR993000159686 Netherlands, Noord-Holland, Texel, 3 km N of Oudeschild ex coll. A.F. de Jong 1084 10 ex.

NMR993000166428 Netherlands, Zuid-Holland, Rotterdam, Europoort, Maasvlakte, Edisonbaai 2020-10-04 ex coll. A.F. de Jong 3569 10 ex.

NMR993000166429 Netherlands, Zuid-Holland, Rotterdam, Europoort, Maasvlakte, Edisonbaai 2020-10-11 ex coll. A.F. de Jong 3570 4 ex.

Zie ook:

Huber M. 2010. Compendium of bivalves. A full-color guide to 3,300 of the world’s marine bivalves. A status on Bivalvia after 250 years of research. Hackenheim: ConchBooks

Salvi, D., Mariottini, P. 2016. Molecular taxonomy in 2D: a novel ITS2 rRNA sequence-structure approach guides the description of the oysters’ subfamily Saccostreinae and the genus Magallana (Bivalvia: Ostreidae). Zoological Journal of the Linnean Society 179(2): 263-276.


[1] https://www.nederlandsesoorten.nl/linnaeus_ng/app/views/species/nsr_taxon.php?id=137373&cat=162

Geplaatst in Marine biology, Mollusca, Natural history | Tags: , , , | 3 reacties

Van Alikruiken tot Zeespinnen

De zeespin Nymphon gracile Leach, 1814 - Foto © Jordy van der Beek

De zeespin Nymphon gracile Leach, 1814 – Foto © Jordy van der Beek

In het voor- en najaar zijn de beste laagwaters bij Gorishoek. Dat is ook het geval op 12 februari, 12 maart en 2 april ’17. De tocht in februari moeten we op het laatst afzeggen, het vriest stevig en ’s nachts valt een flink pak sneeuw. Het is niet verantwoord om onder die omstandigheden 20 kilometer binnenweg in Zeeland te gaan rijden.

12 maart is het een stuk beter, half bewolkt, bijna geen wind en 15° Celsius. Dus vertrekken Jordy van der Beek, Maarten Lubbers en ik rond 8:00 uur richting Tholen. Er is een verlaging van 170 cm, waardoor het hele gebied droogvalt. Zoals altijd biedt het litoraal een vergelijkbare aanblik met wat ik gewend ben van de kusten van Bretagne in de jaren tachtig van de vorige eeuw.

Japanse stekelhorens Ocenebra inornata (Récluz, 1851) - Foto © Jordy van der Beek

Japanse stekelhorens Ocenebra inornata (Récluz, 1851) – Foto © Jordy van der Beek

Overal schaalhorens Patella vulgata Linnaeus, 1758 en massaal asgrauwe tolhorens Gibbula cineraria (Linnaeus, 1758), met daartussen de exoten Amerikaanse stekelhorens Urosalpinx cinerea (Say, 1823) en Japanse Ocenebra inornata (Récluz, 1851) met zo nu en dan een  purperslak Nucella lapillus (Linnaeus, 1758). Het valt op dat de exotische stekelhorens tegenwoordig vrij rondkruipen in het litoraal, bij eerdere bezoeken vonden we ze vooral op stenen die ook bij het laagste water niet droogvallen, bovendien zaten ze meestal aan de onder- en zijkant van de stenen. De Japanse oesters Crassostrea gigas (Thunberg, 1793) vormen riffen op de strekdammen. Op het wad tussen de strekdammen vinden weer vele doubletten van de Filippijnse tapijtschelp Venerupis philippinarum (Adams & Reeve, 1850) en Jordy doet een mooie vondst met een doublet van de tere hartschelp Acanthocardia paucicostata (Sowerby II, 1834). Er liggen ook hier en daar verse wulken Buccinum undatum, de meeste zijn stuk, maar er gaan toch twee gave mee voor de collectie.

Tussen de wieren overal zeespinnen Nymphon gracile Leach, 1814 - Foto © Jordy van der Beek

Tussen de wieren overal zeespinnen Nymphon gracile Leach, 1814 – Foto © Jordy van der Beek

Maarten toont een hand vol brokkelsterren Ophiothrix fragilis (Abildgaard, 1789) - Foto © Jordy van der Beek

Maarten toont een hand vol brokkelsterren Ophiothrix fragilis (Abildgaard, 1789) – Foto © Jordy van der Beek

In december zagen we een twee zeespinnen Nymphon gracile Leach, 1814, nu zien we stenen met tientallen erop. Verder veel stekelhuidigen, vooral brokkelsterren Ophiothrix fragilis (Abildgaard, 1789) zijn zeer algemeen, soms meerdere onder één steen. Ze hebben ongetwijfeld geprofiteerd van de zachte winter, strenge winters zijn funest voor deze soort. Na een uur of twee, sluiten we de excursie af met een perfecte vissoep bij “De Zeester”. We stoppen op de terugweg bij enkele knotwilgen langs de Havenweg (staat haaks op de Gorishoeksedijk) om te zien of daar wellicht Clausilia’s op te vinden zijn. Die zien we niet maar Jordy weet wel een gewone haarslak Trochulus hispidus (Linnaeus, 1758) te ontdekken.  Omdat onze aandacht nu gericht is op Clausiliidae en het nog vroeg in de middag is, besluiten we door te rijden naar de Hollandse Biesbosch om te kijken of de wilgen daar wellicht wat op leveren. Na een half uurtje speuren, komt er inderdaad een grote regenslak Alinda biplicata (Montagu, 1803) tevoorschijn.

De grote regenslak Alinda biplicata (Montagu, 1803) - Foto © Jordy van der Beek

De grote regenslak Alinda biplicata (Montagu, 1803) – Foto © Jordy van der Beek

Alikruiken Littorina littorea Linnaeus, 1758 op de dijk

Alikruiken Littorina littorea Linnaeus, 1758 op de dijk

Het mooiste laagwater van het voorjaar (dat overdag en in het weekend valt) is op 2 april met een verlaging van 176 cm.  Ditmaal vergezellen Hans Post en Jordy van de Beek me. Om vijf voor half drie is het water op z’n laagst maar wij gaan al een uur van te voren verzamelen. We beginnen op de buitendijk van het haventje van Gorishoek. Wat direct opvalt is het massaal voorkomen van de alikruik Littorina littorea Linnaeus, 1758 op de dijk, mooie volwassen exemplaren. Hogerop in het supralitoraal vindt Jordy de ruwe alikruik Littorina saxatilis (Olivi, 1792) en tussen blaaswier Fucus vesiculosus Linnaeus, 1753 enkele stompe alikruiken Littorina obtusata (Linnaeus, 1758), zeker niet algemeen. Na deze inspectie gaan we het wad op. Evenals de vorige keer zien we volop rotganzen, Branta bernicla (Linnaeus, 1758). Wat verder opvalt is dat de bekende exoten: Amerikaanse stekelhoren Urosalpinx cinerea (Say, 1823) en Japanse stekelhoren Ocenebra inornata (Récluz, 1851) nu ook overal dood aanspoelen, dat zag je bij eerder gelegenheden eigenlijk niet of nauwelijks. Echt groot worden ze niet bij Gorishoek, bij 45 mm voor de Japanse stekelhoren houdt het op, Amerikaanse blijven wat kleiner.

Op het wad tussen de strekdammen vindt Hans een klep van de afgeknotte gaper Mya truncata Linnaeus, 1758 en verderop een klep van de breedgeribde astarte Astarte sulcata (Da Costa, 1778) en enkele grote doubletten van de Amerikaanse venusschelp Mercenaria mercenaria (Linnaeus, 1758). Het is prachtig laag tij, stenen vol met sponzen en zakpijpen komen vrij te liggen op de randen zitten ook nu weer tientallen zeespinnen Nymphon gracile Leach, 1814. Qua krabben zien wie ontelbare harig porceleinkrabbetjes Porcellana platycheles (Pennant, 1777).

Het is zodanig heerlijk weer dat we, als het water opkomt op het terras van “de Zeester” belanden waar we uit de wind en in de zon genieten van een Leffe dubbel en de befaamde snaaiplank.

Snaaiplank op het terras van Brasserie “De Zeester”

Snaaiplank op het terras van Brasserie “De Zeester”

Dat bij mij toch ook de leeftijd een rol begint te spelen, blijkt op 23 april ’17. Volgens mijn berekeningen is het om 14:20 uur laagwater, met een mooie verlaging van 172 cm. Dus Hans Post, Rob Vink en ik gaan welgemoed op weg. Als we de duikplaats aan de Gorishoeksedijk bereiken voelt Rob al nattigheid: volop duikers, die geven de voorkeur aan hoogwater… En inderdaad het blijkt dat ik me één regel heb vergist in de getijdentabel geen LW maar HW! Het levert een mooie vergelijkingsfoto op hoe hoog het water ter plaatse komt, maar verzamelen ho maar. Bier en een snaaiplank met friet bij Brasserie “De Zeester” maken veel goed.

Gorishoek, laagwater -176 cm

Gorishoek, laagwater -176 cm

Gorishoek, hoogwater +172 cm

Gorishoek, hoogwater +172 cm

Geplaatst in Marine biology, Mollusca, Natural history, Travel | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Fossil finds at Knokke-Heist – Belgium

r-j-vink-20170205-dsc_5254The weekend of 4 and 5 February 2017 Hans Post, Rob Vink and I visited the beach of Knokke-Heist in Belgium. Weather conditions were good, clouded, 5 °C. and a Southern wind 3 Bft. This weekend was LWST (Low Water of Spring Tides) – 190 cm. Ideal circumstances for shell collecting. The beaches of Knokke-Heist are interesting because of the fossils that can be found in shell grit.

Their origins can be found in beach replenishments some years ago. Off shore material from strata of Pliocene and Pleistocene age is transported to the shore.

Collecting at low tide Knokke-Heist - Belgium- Photo © Rob Vink

Collecting at low tide Knokke-Heist – Belgium- Photo © Rob Vink

In beach drift fossil species like Ocenebra erinacea (Linnaeus, 1758), Propebela turricula (Montagu, 1803), Epitonium clathrus (Linnaeus, 1758), Nassarius spec. and Turritella spec. can be found. The reason for us to visit these beaches is the occurrence of Trivia and Dentalium species; the latter most likely Antalis vulgaris (Da Costa, 1778).

Recently Fehse & Van der Haar described a new species of the genus Trivia from this location: Trivia merlini Fehse & van der Haar, 2015. In two days we could collect about 100 Trivia spec. and 30 Antalis spec. How far this material contains the new species is subject to further studies. Rob en Hans both did find a specimen of Terebra inversa Nyst, 1843.

Collecting at low tide Knokke-Heist - Belgium- Photo © Hans Post

Collecting at low tide Knokke-Heist – Belgium- Photo © Hans Post

The recent mollusc fauna is limited. Common European limpets Patella vulgata Linnaeus, 1758 are abundant on rocks of the harbour pier and bivalves like Cerastoderma edule (Linnaeus, 1758) and Limecola balthica (Linnaeus, 1758) live in sand just off shore. Nice finds were a few fresh Nucula nucleus (Linnaeus, 1758), a perfect Epitonium clathratulum (Kanmacher, 1798) and the rarely seen Philine quadripartita Ascanius, 1772 found by Rob.

Philine quadripartita Ascanius, 1772 - Photo © and collection Rob Vink

Philine quadripartita Ascanius, 1772 – Photo © and collection Rob Vink

In the low dunes of Knokke-Heist land shells are abundant.

As always we didn’t hesitate to enjoy the pleasures of the local kitchen: croque madame and Belgian draft beer.

Some of the samples taken - © Frans de Jong

Some of the samples taken – © Frans de Jong

Geplaatst in Fossils, Marine biology, Mollusca, Natural history, Scaphopods, Travel | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Winter views at Gorishoek

rob-vink-dsc_5173

Stones are covered with sea belt Saccharina latissima and Sponges- © Rob Vink

Two winter visits with my friends Rob Vink and Jordy van der Beek to Gorishoek located in the Oosterschelde basin in The Netherlands, show that many invasive alien species are here to stay. From the late eighteen hundreds oysters Ostraea edulis Linneaus, 1758 and Blue mussels Mytilus edulis Linnaeus, 1758 are commercially farmed in this area.

img_1899

Samples taken – © Frans de Jong

Large numbers of this shellfish are imported from diverse location in and outside Europe. With them a great number of alien species are introduced, some are very successful and are crowding out autochthonous relatives. Climate change seems to be a factor in this process. In the last fifteen years no very cold winters (with severe frost during several weeks) occurred in the region, giving exotic species opportunity to survive and Southern species to push northwards. This is the case with i.a Pacific oyster Crassostrea gigas (Thunberg, 1793); Atlantic oyster drill Urosalpinx cinerea (Say, 1823); Japanese oyster drill Ocenebra inornata (Récluz, 1851). These last two species are in direct concurrence with the indigenous dog whelk Nucella lapillus (Linnaeus, 1758), a species already weakened by widely used TBT (Tributyltin) in painting of ship hulls. The population is recovering since the use of TBT was prohibited, and is now again under pressure from invasive competitors. The Hard clam or quahog Mercenaria mercenaria (Linnaeus, 1758) and Manila clam Ruditapes philippinarum (Adams & Reeve, 1850) also find a suitable habitat in the Oosterschelde basin. Southern species like the common European limpet Patella vulgata Linnaeus, 1758 and Grey top shell Gibbula cineraria (Linnaeus, 1758) were never seen some fifty years ago and now abundant. During our last trips Jordy noticed for the first time all dead Ruditapes philippinarum (Adams & Reeve, 1850) we found had drill holes from carnivorous shell, like the exotic oyster drills. We checked earlier collected material, but never found drill holes. So it seems one alien species is decimating the other.

rob-vink-dsc_5175

Lipophrys pholis (Linnaeus, 1758) – Shanny – Photo © Rob Vink

Geplaatst in Marine biology, Mollusca, Natural history | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Twee winterse tochten naar Gorishoek

dsc_4712-bewerkt

Lipophrys pholis (Linnaeus, 1758) – Steenslijmvis – Foto © Rob Vink

De beste lage waters vallen in het winterseizoen. Aan het eind van 2016 gebeurde dat twee keer in het weekend en midden op de dag; namelijk op zaterdag 19 november 2016 en  zondag 18 december 2016 met respectievelijk een verlaging -158 en -165 cm. In beide gevallen waren we van de partij in november samen Rob Vink en in december met Rob en Jordy van der Beek. Het weer zat steeds mee, beide dagen 8° C, bewolkt maar droog, zuidwesten wind variërend tussen 2 en 4 Bft.

img_1577

Rob met foto-uitrusting                          Foto © Frans de Jong

Op zaterdag de 19e komen we een uur voor laagwater aan en Rob besluit om zijn complete foto-uitrusting mee te nemen het wad op. We lopen eerst langs de dijkvoet naar de tweede strekdam. Met stenen keren zien we eieren van zowel purperslakken Nucella lapillus (Linnaeus, 1758) als Amerikaanse stekelhoorns Urosalpinx cinerea (Say, 1823), vooral de laatste zijn ook volop volgroeid aanwezig, purperslakken blijven toch minder algemeen, dat geldt ook voor de Japanse stekelhoorns Ocenebra inornata (Récluz, 1851). Het kan natuurlijk ook zijn dat ze al naar dieper water gemigreerd zijn vanwege de temperatuur. De stenen zijn rijk begroeid met sponzen. Achter het vallende water lopen we in de richting van de eerste strekdam en de oude oesterput. Daar zijn een zestal Belgen oesters aan het steken, ik schat dat ze bij elkaar zo’n 150 kilo hebben verzameld. Het zijn allemaal Japanse oesters Crassostrea gigas (Thunberg, 1793), want de platte oester is ter plaatse vrijwel uitgestorven. Het is natuurlijk niet helemaal verkeerd dat de exotische Japanse oester zo wordt afgeslacht, maar de manier waarop de Belgen te werk gaan is niet zo fijn. Schoongeschraapte stenen worden niet teruggelegd, zodat ook het overige leven kapot gaat.

Eenmaal aangekomen bij de oude oesterput zien Rob en ik toch weer mooie dingen, een topper is de steenslijmvis Lipophrys pholis (Linnaeus, 1758). Onder stenen bij het laagste water zijn we verschillende zeespinnen, lastig te zeggen welke soort, wellicht Nymphon gracile Leach, 1814

rob-vink-dsc_5164

Tweede strekdam bij Gorishoek – Foto © Rob Vink

Zondag de 18e sluit Jordy aan en vertrekken we met z’n drieën na de koffie uit Dordrecht. Opnieuw sjort Rob zijn foto rugzak met 20 kilo lenzen etc. op zijn rug en trekken we het wad op. Ditmaal lopen we door tot de derde strekdam, wat opvalt is het massaal voorkomen van schaalhorens Patella vulgata Linnaeus, 1758. Verder zijn alle usual suspects weer van de partij: Amerikaanse stekelhorens Urosalpinx cinerea (Say, 1823), Japanse Ocenebra inornata (Récluz, 1851) en zij het schaars purperslakken Nucella lapillus (Linnaeus, 1758). Ook asgrauwe tolhorens Gibbula cineraria (Linnaeus, 1758) zien we overal. Er spoelen volwassen doubletten van de Filippijnse tapijtschelp Venerupis philippinarum (Adams & Reeve, 1850) aan. Het valt Jordy op dat alle doubletten aangeboord zijn, als we later de schelpen vergelijken met eerder verzameld materiaal blijkt er niet een te zijn aangeboord, blijkbaar beginnen de exoten elkaars vlees te waarderen…

rob-vink-dsc_5196

Doublet van Filippijnse tapijtschelp Venerupis philippinarum (Adams & Reeve, 1850) – Foto © Rob Vink

Tussen de eerste en tweede strekdam vinden we enkele mooie doubletten van de Amerikaanse venusschelp Mercenaria mercenaria (Linnaeus, 1758) waarvan er één levend blijkt te zijn. Er liggen ook enkele doubletten van de tapijtschelp Venerupis corrugata (Gmelin, 1791) = V. pullastra. Een bijzondere vondst is de klep van een Venus casina Linnaeus, 1758.

Uiteraard wordt restaurant “de Zeester” aan het eind van de excursie(s) ontdaan van tosti XXL en la Chouffe.

img_1902

Rob en Jordy aan de tosti XXL in “de Zeester”

Geplaatst in Marine biology, Mollusca, Natural history | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Fossielen zoeken bij Knokke-Heist

Trivia spec. Knokke-Heist (foto Hans Post)

Trivia species van Knokke-Heist (foto Hans Post)

Overzicht van het strandbeeld bij Knokke-Heist (bron Google Earth)

Overzicht van het strandbeeld bij Knokke-Heist (bron Google Earth)

Antalis vulgaris (Da Costa, 1778)

Antalis vulgaris (Da Costa, 1778)

In diverse fora wordt er de laatste tijd melding gemaakt van grote hoeveelheden fossielen, die aanspoelen aan het strand van Knokke-Heist in België.

Daaronder zou een nieuwe soort Trivia en aanzienlijke aantallen stoottanden (Scaphopoda) zijn. Daarom besluiten wij (Jordy van der Beek, Dennis Nieweg, Hans Post, Rob Vink en ik) de proef op de som te nemen en reizen we op 30 januari 2016 af naar België. Hoewel voor eind januari eigenlijk nog steeds prima, is het weer verre van ideaal voor een lange strandtocht. Het is zes graden, met een harde zuidwesten wind (6-7 Bft) en gestage regen. Daar laten we ons niet door weerhouden; hoewel ik wel enige spijt heb dat ik mijn regenbroek ben vergeten.

We vinden fossiele Trivia’s, zowel recent als fossiel. Van de recente exemplaren vinden zowel de ongevlekte soort Trivia arctica (Pulteney, 1799) als de gevlekte Trivia monacha (Da Costa, 1778). En… we vinden fossiele Trivia’s of hier de onlangs door Fehse en Van der Haar beschreven Trivia merlini Fehse & Van der Haar, 2015 tussen zit, verdient nog nader onderzoek. We vinden ook tientallen stoottanden,in dit geval gaat het om de zwakgeribde stoottand oftewel Antalis vulgaris (Da Costa, 1778). Naast genoemde soorten vinden we diverse Turritella species en diverse soorten fuikhorens (Nassaridae), trapgeveltjes Propebela turricula (montagu, 1803) en wenteltrappen, waarschijnlijk allemaal Epitonium clathrus (Linnaeus, 1758)

We lopen tot aan de voet van de havenpier, waar de schaalhoren, Patella vulgata Linnaeus, 1758 veelvuldig levend op wordt waargenomen.

Na twee uur zoeken in het barre weer smaakt een croque madame en een Stella Artois in een etablissement aan de boulevard uitstekend. Op de terugweg maken een tussenstop bij De Kaloot bij Vlissingen, op de pier bij de koelwaterafvoer van de centrale nog volop Patella vulgata Linnaeus, 1758 en enkele fossiele Astarte kleppen, maar het opkomende water dwingt ons halverwege het strand om te keren. Al met al weer een topdag, we besluiten dat we in maart, met wat droger weer, nog een keer gaan bemonsteren in Knokke-Heist.

 

Van links naar rechts: Jordy, Rob, Dennis, Frans en Hans

 

 

Geplaatst in Fossils, Marine biology, Mollusca, Natural history, Scaphopods, Travel | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Invasie van Harig porceleinkrabbetje bij Gorishoek

Deze galerij bevat 5 foto's.

Toch nog een inventarisatie in 2015 bij Gorishoek. Vrijdag, 18 december, om 14.15 uur is het laagwater bij Gorishoek, met een verlaging van -150 cm. Hans Post, Jordy van der Beek en ik spreken af rond koffietijd in Dordrecht en … Lees verder

Meer Galerijen | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Ontmoeting met Redmond O’Hanlon

Frans, Redmond en Erwin (foto Jordy van der Beek)

Frans, Redmond en Erwin (foto Jordy van der Beek)

Discussie over Edward Drinker Cope (foto Jordy van der Beek)

Discussie over Edward Drinker Cope (foto Jordy van der Beek)

Twee helden ontmoeten in één jaar is zeldzaam, toch is 2014 zo’n jaar. Afgelopen zomer bezochten Erwin Kompanje, Ditty en Otto van Duijn en ik Uppsala, de woonplaats van Linnaeus en 13 december 2014 kon ik de hand schudden van Redmond O’Hanlon.

De aanleiding was de opening van de tentoonstelling “Endangered- bedreigde dieren in ijs” van Erik Hijweege in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam [http://www.hetnatuurhistorisch.nl/exposities/endangered.html]. Ik kan me niet herinneren dat de Hobokensalon van het museum zo afgeladen was met toeschouwers. Dat is niet zo wonderlijk, want naast schrijver van fantastische reisverhalen is Redmond ook een televisiepersoonlijkheid, sinds hij deelnam aan de serie “Beagle: in het kielzog van Darwin“, lees hiervoor Dirk Draulans’ Beagle dagboek (Meulenhoff, 2010). Bovendien was hij de hoofdpersoon in de heerlijke serie “O’Hanlons Helden“.

Ondanks dat nog ca. 160 overige bezoekers dat ook wel wilde, zag ik kans om Redmond kort te spreken tijdens een signeersessie. Wat een goeie vent! Vol humor en met een enorme kennis. We spraken over Rumphius, in wiens voetspoor ik Ambon bezocht in 1990; Redmond wist zoveel details uit het leven van deze zeventiende-eeuwse natuurvorser, onvoorstelbaar. Ik heb hem nog gezegd hoe ik hem benijd om het feit dat hij de schedel van Edward Dinker Cope in handen heeft gehad, hij herinnert zich nog dat er luchtje zat aan het skelet van deze wetenschapper en strijder in “The bonewars”, zie deze aflevering op internet: De Bottenoorlog [http://www.vpro.nl/speel.VPWON_1156430.html].

Redmond O’Hanlon (5 juni 1947) studeerde Engelse literatuur en promoveerde in 1977, zijn proefschrift luidt: Changing Scientific Concepts of Nature in the English Novel, 1850-1920.

 Zijn boeken:

  • Joseph Conrad and Charles Darwin: The Influence of Scientific Thought on Conrad’s Fiction (1984)
  • Into the heart of Borneo (1984); Nederlandse uitgave: Naar het hart van Borneo
  • In trouble again (1988); Nederlandse uitgave: Tussen Orinoco en Amazone
  • Congo (1996)
  • Trawler (2004); Nederlandse uitgave: Storm
  • Met Rudi Rotthier: The Fetish Room (2009); Nederlandse vertaling: God, Darwin en natuur

Lees ook het artikel over O’Hanlon in intermediair. (Met collega’s ben je als een groep jagers [http://www.intermediair.nl/carriere/een-baan-vinden/beroepen-functies/redmond-ohanlon-met-collegas-ben-je-als-een-groep-jagers])

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Fossils, Heroes, Natural history | Tags: , , , , , | 1 reactie

Kraanvogeltrek in de Diepholzer Moren

Kraanvogels op de stoppelvelden van An der Dadau

Kraanvogels op de stoppelvelden van An der Dadau

Kaart van de omgeving van Vechta, rode markering is het foerageergebied bij An der Adau

Kaart van de omgeving van Vechta, rode markering is het foerageergebied bij An der Dadau

Het eerste  (lange) weekend van november 2014 besluiten Hans Post, zijn vrouw Marja en ik twee dingen te combineren. In de eerste plaats is dat de nieuwe aanwinst van familie Post bewonderen: een huisje met een stuk bos erbij, nabij Pesse in West Drenthe. We brengen de nacht door in dit geriefelijke huis en ’s morgens word ik verrast door een schare aan vogels die op het terras van de voederplaatsen komen eten. Op enkele meters afstand zien we Vlaamse gaai, roodborstje, grote bonte specht, merel, kool-, pimpel- en glanskopmezen. Voor het eerst van zo dichtbij, zie een paar boomklevers, Sitta europaea Linnaeus, 1778.

Marja besluit in Pesse te blijven en Hans en ik maken ons op om af te reizen naar Wagenfeld, het centrale dorp in de Diepholzer Moren hemelsbreed zo’n 150 kilometer oostelijk in Duitsland (over de weg een honderd kilometer meer). Ons doel is de kraanvogeltrek bij te wonen; de Moren zijn een pleisterplaats op de trek van de kraanvogels, Grus grus (Linnaeus, 1758). Omdat de auto van Hans in de garage staat rijden we met een leen Citroën bedrijfsauto. Het is een diesel, die toch met gemak de snelheden van de autobahn blijkt aan te kunnen.

We treffen het buitengewoon met het weer, het is vrijdag nog een beetje nevelig, als we rond 10:00u vertrekken. Daarna wordt het alleen maar beter met 18° C en stralende zon. Uniek, want dit weekend gaat de analen in als het warmste weekend in november ooit gemeten door het KNMI. Gelukkig strekt het mooie weer zich tot ver in West-Duitsland uit.

Vroeg in de middag arriveren we in Vechta, de noordelijke ingang van het natte hoogveen gebied, waar de kraanvogels hun slaapplaatsen vinden, overdag foerageren ze op de stoppelvelden, waar het graan eerder dit jaar is geoogst. Ten oosten en zuiden van Vechta ligt Großes Moor, net ten zuiden daarvan loopt een bijna onzichtbaar weggetje naar links vanaf de provinciale weg (Vechtaer Straße). Dit weggetje, An der Dadau, dat alleen de eerste kilometers is geasfalteerd en overgaat in onverharde weg, blijkt de beste observatieplek te zijn. Nog geen honderd meter op de An der Dadau zien we de eerste groep foeragerende kraanvogels, hoe verder we rijden, hoe mooier het wordt, we verkennen enkele zijweggetjes (de Mitteldamm en Langerdamm) en zien groepen van honderden vogels.

Na dit spektakel enige tijd te hebben geobserveerd checken we in bij onze overnachtingsplaats het Golfhotel Wagenfeld, een ruim appartement, waarvan de badkamer alleen al groot genoeg is om als hotelkamer te dienen.

Een uur voor zonsondergang bezoeken we het nabij gelegen Naturschutzgebiet Rehdener Geestmoor. Langs de Moordamm staat een uitkijktoren, waar we auto parkeren. Spoedig verschijnen grote groepen kraanvogels vanuit het zuiden onderweg naar hun slaapplaats in het waterrijke Moor. De vogels vliegen zo dicht bij elkaar dat het wel lijkt of er een bewegend touw op je af komt, steeds nieuwe groepen. Het houdt niet op. De beleving wordt enigszins teniet gedaan door de grote hoeveelheid mensen, die op het fenomeen afkomen, wellicht ook aangetrokken door het heerlijke weer. Toeterende auto’s, kinderwagens met gillende kinderen en blaffende honden verstoren de roep van duizenden kraanvogels in enige mate.  Hans en ik filosoferen dat het een kwestie van tijd is totdat iemand op het idee komt om hier betaald parkeren in te voeren of een tolpoortje aan het begin van de weg te plaatsen.

De volgende morgen is het ontbijt in het Golfhotel memorabel. We besluiten voordat we terug rijden naar Nederland nog een stop te maken bij An der Dadau. Dat blijkt een gouden greep, goed licht voor foto’s en duizenden kraanvogels, niet alleen foeragerend maar ook veel vogels in beweging, wellicht maken ze zich op voor de trek zuidwaarts.

In de Moren kijk ik omstandig uit naar landslakken, maar ik vind er geen, dat heeft wellicht te maken met de zuurgraad van de bodem.  Hoe dan ook, de kraanvogeltrek is een buitengewone ervaring, die op slechts enkele uren van de Duitse grens te bewonderen is, een absolute aanrader!

Geplaatst in Natural history, Travel | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen