De Goudvissen van Job Baster

 

Job Baster (1711-1775) was één van de eerste Nederlandse natuuronderzoekers, die in het navolging van Antoni van Leeuwenhoek, vaak met behulp van een microscoop, minutieus de flora en fauna (voornamelijk ongewervelde dieren) van de Oosterschelde onderzocht. Hij schreef zijn bevindingen neer in een boek genaamd “Opuscula subseciva, observationes miscellaneas de animalculis et plantis, quibusdam marinis, eorumque ovariis et seminibus continentia” (1760). De Nederlandse vertaling verscheen onder de naam “Natuurkundige Uitspanningen, behelzende eenige waarneemingen over sommige Zee-planten en Zee-insecten benevens derzelver Zaadhuisjes en Eijernesten”. Dit werk verscheen in zes stukken tussen 1762 en 1765.

Job Baster wordt geboren in Zierikzee, zijn vader sterft als Job vijf jaar oud is en zijn oom en tante, die in Rotterdam wonen, nemen de zorg voor de jongen op zich. Job is een goede leerling. Op zijn vijftiende is hij nog te jong voor de universiteit en gaat hij in de leer bij Willem Vink, lector in de geneeskunde. In 1728 gaat hij studeren in Leiden, waar hij o.a. colleges volgt bij Boerhaave. 1731 promoveert Baster tot doctor in de geneeskunde en in het daarop volgende jaar maakt hij een studiereis, waarbij hij Parijs en Londen bezoekt om zich daarna als arts te vestigen in zijn geboorteplaats.

Zijn eerste vrouw Jacoba de Kok overlijdt jong in 1737, waarna hij in 1741 hertrouwt met Jacoba Vink, de jongste dochter van zijn vroegere leermeester Willem Vink. Uit beide verbintenissen komen geen kinderen voort. Baster heeft de naam een strenge geneesheer te zijn. Wie zijn raad niet opvolgt, bezoekt hij niet meer, maar voor hen die dat wel doen spant hij zich tot het uiterste in. Tijdens de pokkenepidemie die in 1773 Zeeland treft is hij dag en nacht in de weer, hoewel hij aan het eind van zijn leven is en zelf gebukt gaat onder lichamelijk lijden. Hij is dan al halfblind. Zijn werken als geneesheer geven hem groot aanzien. Die goede naam levert hem de nodige erfenissen op, dit maakt hem een bemiddeld man.

In 1758 erft hij een fraaie hof met bomen, die later de naam “Zonnehof” zal krijgen. In deze hof liggen twee vijvers. Baster gebruikt de Zonnehof voor zijn experimenten en kweekt er zijn planten. In de vijvers slaagt hij erin om Chinese goudvissen te kweken, een unicum in het Nederland van de achttiende eeuw. De twaalf eerste visjes krijgt hij in 1758 via een contact in Engeland, Baster is corresponderend lid van vele geleerde genootschappen. Helaas gaan deze visjes roemloos ten onder. Het volgende jaar krijgt hij er nog eens achttien, wederom redden twee het niet, maar met de overgebleven zestien het lukt om succesvol te kweken, dat is voor het eerst in Nederland.

De afbeelding van de goudvisjes in mijn exemplaar van de “Natuurkundige Uitspanningen” is prachtig hand ingekleurd.

De Goudvisjes van Job Baster. Fig. IV – IX

Baster is een nietsontziend onderzoeker, dat blijkt uit de volgende passage uit zijn boek: “Ik heb eenige der grootste van deze Visjes laaten kooken, en in gezelschap van goede Vrienden gegeeten. Wy probeerden dezelve met verscheide Sausen, doch met de zoogenaamde Eijer Saus waren zy smakelijkst, en veel beter dan de gemeene Karper: gekookt waren zij zoo vast van Vis niet dan de Baars, doch anders zoo fyn, mals en tender, als eenige Rivier-Visch kan zijn, en geene hinderlyke graatjes hebbende, als de Voorn, Snoek, enz. Gebakken waren zy ruim zoo delicieus als Baars.”

Vanaf 1764 raakt Baster blind aan zijn linkeroog, om zijn overgebleven oog te sparen, laat hij de vergrootglazen staan. Op 6 maart 1775 overlijdt Job Baster, uit een inventaris van zijn boedel blijkt dat ook de goudvissen zijn verkocht. Ze brengen zevenhonderd gulden op, geen gering bedrag destijds… Naast zijn liefde voor de studie van de natuur is Baster ook bekend van een prachtig “schelpenbuffet” dat hij bouwde van koraal, exotische zeeschelpen en de gehoorbeentjes van vissen. Hij schonk het buffet aan het Zeeuws Genootschap en het is heden ten dage nog te bezichtigen in het Zeeuws Museum in Middelburg. Een van de ontdekkingen van Job Baster is het brakwater-hoorntje dat hij beschrijft uit het Kaaskenwater, gelegen vlak bij zijn woonplaats Zierikzee. Deze soort Heleobia (Semisalsa) stagnorum (Gmelin, 1791) kreeg de Nederlandse naam: Basters drijfslak als eerbetoon aan zijn ontdekker. De Nederlandse Malacologische Vereniging heeft haar wetenschappelijk tijdschrift “Basteria” vernoemd naar deze veelzijdige natuurvorser.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Marine biology, Natural history en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s