Oliemossels op Texel

Oliemossel – Adipicola arcuatilis Dell, 1995 (© Rob Vink – Collectie NMR)

 

Oliemosselen is niet de culinaire naam voor een gerecht. Wat niet wegneemt dat mosselen prima smaken, gebakken in wat olie met prei, bladselderij, fijngehakte knoflook en in gezelschap van een goed glas Entre Deux Mers. Oliemossels leven in de diepzee op gezonken hout en walvisbeenderen. Ik was zo gelukkig op Texel deze schelpjes sinds jaren weer eens te zien.

Al jaren is het een de goede traditie van de familie Kompanje en de schrijver om de jaarwisseling elders door te brengen, dit jaar (2010-2011) was dat op Texel. Op oudejaarsdag hadden we een afspraak met Adrie en Ineke Vonk, beiden zeer geïnteresseerd in walvissen, de walvisvaart en walvisbotten. Ineke volgt een universitaire studie met de focus op de geschiedenis van de walvisvaart (op de Waddeneilanden). Adrie, kapitein van de TX-1, onderzoekt de bodem van de Noordzee al sinds jaar en dag op beenderen van walvisachtigen, zijn collectie is overweldigend. Toen Adrie hoorde dat ik me bezig houd met de malacologie, liet hij mij enkele kleine mosselschelpjes zien, die ik direct herkende: diepzee mossels. Ik had ze één keer eerder gezien, dat was in Nieuw Zeeland, toen ik Bruce Marshall ontmoette in the Museum of New Zealand (Te Papa Tongarewa).

Bruce Marshall toont een tank met Architheutis dux

Bij mijn eerste kennismaking met Bruce zat hij aan een snijtafel, een perspex veiligheidsmasker voor, met een bijl in te hakken op een grote stronk nat, zwart hout. De stronk bleek te zijn opgevist op een diepte van bijna anderhalve kilometer! Er op en erin wemelde het van geknikte mosselschelpjes, er waren ook kleine patelloïde gastropoden bij. Ongetwijfeld zitten er onbeschreven soorten tussen, aldus Bruce. Op zijn bureau stond een grote glazen pot gevuld met duizenden schelpjes op 70% alcohol. Dat was één van de vele onverwachte voorvallen tijdens mijn reis door Nieuw Zeeland, ik maakte een foto van de pot en besteedde de rest van de dag aan het fotograferen van de uitgebreide scaphopoden-collectie van het museum. Nu ruim vijftien jaar later kreeg ik de schelpen weer in handen, maar dan aan de andere kant van de wereld, op het Waddeneiland Texel. De oliemossels van Adrie, bleken gevonden te zijn op exceptioneel grote walvisschedel, die op grote diepte (600-800 meter) was opgevist in Walvisbaai, Namibië.

Mossels uit de diepzee afkomstig van hout & walvisbotten

Oliemossels maken deel uit van een uniek ecosysteem. De diepzee is een extreem lastig milieu om in te overleven. Natuurlijk heerst er een ontzaglijke druk, die het voor mensen al bij dieptes van rond de honderd meter vrijwel onmogelijk maakt om te overleven. Voor weekdieren is dat niet zo’n probleem omdat zij geen afgesloten lichaamsholten hebben, daardoor is de druk op en in het organisme gelijk. Veel groter problemen zijn het ontbreken van zonlicht en de zeer lage watertemperatuur (op een diepte van ca. 1.500 meter varieert die tussen de -2 en +2° C), voldoende energie op te wekken voor de stofwisseling, is voor elke diepzeebewoner de grootste opgave. De aanwezigheid van calorierijk voedsel is dus een geweldig voordeel, maar hier ligt het volgende probleem: de diepzee is het best te vergelijken met een woestijn, leven is er schaars. Het meeste voedsel regent neer van de oppervlaktewateren, die veel rijker zijn aan leven. Meestal zijn het minuscule organismen (radiolariën en foraminiferen), een boomstam of dode walvis zijn dan natuurlijk enorme bronnen van voedsel. Zeker het karkas van een walvis bevat zeer veel olie, ook de botten, waardoor gezonken walvis lange tijd een eiland van voedsel blijft. Steffen & Goedert [1] onderzochten fossiele overblijfselen van diepzee ecosystemen en opperen dat die op walviskarkassen en gezonken hout met meest op elkaar lijken en bestrijden de theorie dat uit deze systemen de fauna rond hydrothermale bronnen (black smokers) zou zij ontstaan. De bewoners van walviskarkassen, zo tonen de onderzoekers aan, ontstaan tijdens met vroege Mioceen, in die tijd ontwikkelden de walvisachtigen zich en namen toe in omvang en vetreserve. Het blijft voor mij een raadsel hoe de mossels en andere weekdieren de boomstammen en walvisskeletten weten te vinden. Ze hebben weliswaar pelagische larven en ook in de diepzee bestaat stroming, maar, de trefkans lijkt me astronomisch klein.  Van actief zoeken, waarbij ze “op de geur” van het karkas afgaan, kan volgens mij geen sprake zijn. Dit zou betekenen dat een larvale mossel tegen de stroom in op zijn prooi toe moet zwemmen, het lijkt mij onaannemelijk dat ze hiervoor voldoende energie kunnen mobiliseren.

Idas simpsoni, (Marshall 1900) – Naar J. Pelorce & J.M. Poutiers, 2009


[1] Steffen Kiel and James L. Goedert, 2006 – Deep-sea food bonanzas: early Cenozoic whale-fall communities resemble wood-fall rather than seep communities. – Proc.R. Soc. B., 273, 2625-2631.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Fossils, Marine biology, Mollusca, Natural history, Travel en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s