Kraanvogeltrek in de Diepholzer Moren

Kraanvogels op de stoppelvelden van An der Dadau

Kraanvogels op de stoppelvelden van An der Dadau

Kaart van de omgeving van Vechta, rode markering is het foerageergebied bij An der Adau

Kaart van de omgeving van Vechta, rode markering is het foerageergebied bij An der Dadau

Het eerste  (lange) weekend van november 2014 besluiten Hans Post, zijn vrouw Marja en ik twee dingen te combineren. In de eerste plaats is dat de nieuwe aanwinst van familie Post bewonderen: een huisje met een stuk bos erbij, nabij Pesse in West Drenthe. We brengen de nacht door in dit geriefelijke huis en ’s morgens word ik verrast door een schare aan vogels die op het terras van de voederplaatsen komen eten. Op enkele meters afstand zien we Vlaamse gaai, roodborstje, grote bonte specht, merel, kool-, pimpel- en glanskopmezen. Voor het eerst van zo dichtbij, zie een paar boomklevers, Sitta europaea Linnaeus, 1778.

Marja besluit in Pesse te blijven en Hans en ik maken ons op om af te reizen naar Wagenfeld, het centrale dorp in de Diepholzer Moren hemelsbreed zo’n 150 kilometer oostelijk in Duitsland (over de weg een honderd kilometer meer). Ons doel is de kraanvogeltrek bij te wonen; de Moren zijn een pleisterplaats op de trek van de kraanvogels, Grus grus (Linnaeus, 1758). Omdat de auto van Hans in de garage staat rijden we met een leen Citroën bedrijfsauto. Het is een diesel, die toch met gemak de snelheden van de autobahn blijkt aan te kunnen.

We treffen het buitengewoon met het weer, het is vrijdag nog een beetje nevelig, als we rond 10:00u vertrekken. Daarna wordt het alleen maar beter met 18° C en stralende zon. Uniek, want dit weekend gaat de analen in als het warmste weekend in november ooit gemeten door het KNMI. Gelukkig strekt het mooie weer zich tot ver in West-Duitsland uit.

Vroeg in de middag arriveren we in Vechta, de noordelijke ingang van het natte hoogveen gebied, waar de kraanvogels hun slaapplaatsen vinden, overdag foerageren ze op de stoppelvelden, waar het graan eerder dit jaar is geoogst. Ten oosten en zuiden van Vechta ligt Großes Moor, net ten zuiden daarvan loopt een bijna onzichtbaar weggetje naar links vanaf de provinciale weg (Vechtaer Straße). Dit weggetje, An der Dadau, dat alleen de eerste kilometers is geasfalteerd en overgaat in onverharde weg, blijkt de beste observatieplek te zijn. Nog geen honderd meter op de An der Dadau zien we de eerste groep foeragerende kraanvogels, hoe verder we rijden, hoe mooier het wordt, we verkennen enkele zijweggetjes (de Mitteldamm en Langerdamm) en zien groepen van honderden vogels.

Na dit spektakel enige tijd te hebben geobserveerd checken we in bij onze overnachtingsplaats het Golfhotel Wagenfeld, een ruim appartement, waarvan de badkamer alleen al groot genoeg is om als hotelkamer te dienen.

Een uur voor zonsondergang bezoeken we het nabij gelegen Naturschutzgebiet Rehdener Geestmoor. Langs de Moordamm staat een uitkijktoren, waar we auto parkeren. Spoedig verschijnen grote groepen kraanvogels vanuit het zuiden onderweg naar hun slaapplaats in het waterrijke Moor. De vogels vliegen zo dicht bij elkaar dat het wel lijkt of er een bewegend touw op je af komt, steeds nieuwe groepen. Het houdt niet op. De beleving wordt enigszins teniet gedaan door de grote hoeveelheid mensen, die op het fenomeen afkomen, wellicht ook aangetrokken door het heerlijke weer. Toeterende auto’s, kinderwagens met gillende kinderen en blaffende honden verstoren de roep van duizenden kraanvogels in enige mate.  Hans en ik filosoferen dat het een kwestie van tijd is totdat iemand op het idee komt om hier betaald parkeren in te voeren of een tolpoortje aan het begin van de weg te plaatsen.

De volgende morgen is het ontbijt in het Golfhotel memorabel. We besluiten voordat we terug rijden naar Nederland nog een stop te maken bij An der Dadau. Dat blijkt een gouden greep, goed licht voor foto’s en duizenden kraanvogels, niet alleen foeragerend maar ook veel vogels in beweging, wellicht maken ze zich op voor de trek zuidwaarts.

In de Moren kijk ik omstandig uit naar landslakken, maar ik vind er geen, dat heeft wellicht te maken met de zuurgraad van de bodem.  Hoe dan ook, de kraanvogeltrek is een buitengewone ervaring, die op slechts enkele uren van de Duitse grens te bewonderen is, een absolute aanrader!

Geplaatst in Natural history, Travel | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De Bloemenkoning

Erwin en ik bij Linnaeus' lapland-portret in het Linnaeus museum Uppsala. Foto Ditty van Duijn

Erwin en ik bij het schilderij van Linnaeus’ in Laplandkostuum in het Linnaeus museum te Uppsala. Foto©Ditty van Duijn

In juli en augustus maken Erwin Kompanje, Ditty van Duijn en Otto van Duijn een rondreis door Zweden. Van 31 juli tot 4 augustus zoek ik ze op in Stockholm en volgen we samen het voetspoor van de befaamde Zweedse natuuronderzoeker Linnaeus naar Uppsala.

Helix pomatia L. 1758 in Hammarby

Helix pomatia L. 1758 in Hammarby

Linnaeus wordt in 1707 geboren in Råsholt, als oudste zoon in het domineesgezin Nilsson.  Hij is ook bekend onder vele andere namen, zoals: Carl von Linné, de naam die hij aanneemt nadat hij in 1757 in de adelstand wordt verheven of Princeps botanicorum, de Vorst der botanici, de Bloemen koning; of de Plinius van het Noorden of kortweg “L“, de toevoeging die in combinatie met het getal 1758 of 1767 vaak bij Latijnse namen van planten en dieren te zien is. Dit komt omdat Linnaeus  de grondlegger is van de moderne naamgeving in de natuur; de (binominale) nomenclatuur.

De mens Linnaeus

Linnaeus was klein van postuur, had bruine ogen, hield van volksdansen en had een hekel aan kou, dat blijkt ook wel want elke kamer van zijn woning in Uppsala wordt gedomineerd door een geweldige kachel. Als jonge man ondernam hij zijn befaamde reis naar Lapland (1732). Te paard en per schip trok hij een half jaar door noordelijk Scandinavië en verzamelde o.a. het Linnaeus klokje.

Hij studeerde geneeskunde aan de universiteiten van Lund en Uppsala, maar reisde met zijn vriend Claes Sohlberg naar de Verenigde Nederlanden om te promoveren aan de universiteit van Harderwijk (1735). In Amsterdam ontmoette hij zijn goede vriend Peter Artedi, die toentertijd een aanstelling had bij de apotheek van de beroemde Albertus Seba.  Helaas verdronk Artedi op een donkere nacht in grachten van Amsterdam.

Terug in Zweden verwierf Linnaeus een aanstelling als professor in Uppsala, ook in deze hoedanigheid was Linnaeus een eigenzinnig man soms gaf hij college in Laplandkostuum of ging met een schare studenten het veld in, terwijl hij oreerde in zijn nachthemd.

Linnaeus’ belangrijkste wetenschappelijke successen

In pre-Linneaanse tijden (voor 1758) ontbrak een uniforme naamgeving voor dieren en planten, ze hadden een locale naam, die natuurlijk per land verschilde, geleerden gebruikte vaak een naam ontleend aan de klassieke talen Latijn en Grieks maar dat gebeurde tamelijk willekeurig. Een citaat uit “d’Amboinsche Rariteit-kamer” van Rumphius, 1705 illustreert dit probleem mooi:

By Plinius Lib. 9 Cap. 29-30. vind ik maar eenderly soorte van dezen visch, dien hy Nautilium Pompilium noemd, welke beschryving past op de volgende fijne Nautilus: maar de hedendaagsche Schryvers van de Middelandsche zee hebben twee soorten aangemerkt, waar van Bellonius deze eerste en dikke soorte Cochleam margaritiferam noemt, en hem toeschryft veele kameren en van binnen een schaal blinkende als Paerlemoer, zoo dat het dezelfde zal zyn dien de hedendaagsche Grieken naar het schryven van Robertus Constantianus, Talamen tueta podiu, dat is, Polythalamum, of een hoorntje met vele kamertjes noemen. Dergelijke hoornen moet Cardanus ook gehad hebben, ’t welk hij Cochleam Indicam noemt, van gedaante als een galey en bequaam om ‘er kostelijke en schoone drinkvaten van te maken.

Rumphius is een man van de wetenschap en gebruik Latijnse namen voor het dier dat hij wil beschrijven, maar zoals je ziet krijgt het dier soms twee, soms drie namen, soms worden die met een hoofdletter geschreven en soms niet. Kortom verwarring alom, deze beschrijving gaat overigens over de Nautilus (Nautilus pompilius, L. 1758).

Linnaeus maakt een eind aan deze verwarring. Zijn systeem heeft als uitgangspunt divisio et denominatio oftewel (ver)deling en naamgeving, hij is de eerste die de natuur consequent ordent, niet alleen planten en dieren maar ook mineralen en gesteenten, deelt hij in naar het regnum of rijk waartoe ze behoren (bijvoorbeeld het dierenrijk) en vervolgens naar classis of klasse, ordo of orde, genus of geslacht en species of soort. Alle soorten krijgen een dubbele naam: het genus dat altijd met een hoofdletter begint gevolgd door het species (altijd een kleine letter) met daarachter de naam van de beschrijver met het jaartal waarin de soort is benoemd. Dit principe legt hij uit in zijn beroemde boek Systema naturae waarvan het eerste manuscript uitkomt in 1735, dat telt slechts twaalf pagina’s.  Er volgen nog elf edities, de laatste in 1766-68 met ruim 2.300 pagina’s waarin ca. 15.000 mineralen-, planten- en dierensoorten zijn beschreven. Dit systeem wordt ook heden ten dage nog overal ter wereld toegepast. Al met al een geweldige prestatie van deze Zweedse dominees zoon! Het blijft trouwens niet bij de Systema naturae van zijn hand verschijnt o.a. ook de prachtige Hortus Cliffortianus over het landgoed Hartecamp van de bankier Georg Clifford, waarover Linnaeus opziener is gedurende een deel van zijn verblijf in de Verenigde Nederlanden. Naast boeken over botanie en het het werk van zijn overleden vriend Artedi: Ichtyologia, presideert hij over 186 dissertaties van zijn studenten tijdens zijn professoraat in Uppsala. Het is bekend dat hijzelf hiervan het meeste opschreef en daarnaast nog 6.000 natuurhistorische brieven. Een apart verhaal is te vertellen over de studenten die Linnaeus uitstuurt naar de uithoeken van de aarde, waarvan menigeen roemloos omkomt door ziekte en kommer, anderen zijn wel succesvol, zoals Anders Sparrman en Daniel Solander, die de wereld rondzeilen met James Cook.

Linnaeus overlijdt te Uppsala in 1778. In 1784 wordt zijn verzameling verkocht aan en verscheept naar Engeland, waar die de basis vormt van de collectie van the Linnean Society in Londen. De 26 kisten bevatten 19.000 herbariumbladen, 3.200 insecten, 1.500 schelpen, tussen de 700 en 800 koralen, 2.500 mineralen, 3.000 boeken en evenzoveel brieven en manuscripten.

Dit alles overziende, is Linnaeus toch wel een van mijn grote helden.

Erwin, Ditty, Otto en ik bezochten Linnaeus woning en tuin (het Linnaeusmuseum) in Uppsala en na een halve middag zoeken, zijn woning in Hammarby en wat is mooier dan in Linnaeus’ Uppland garden, de wijngaardslak, Helix pomatia, L. 1758, beschreven door de “master himself” te vinden…

Geplaatst in Heroes, Mollusca, Natural history, Travel | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Winterse omstandigheden bij Gorishoek – Tholen.

 

Tijgerpels - Pallolium tigrinum (O.F. Muller, 1776)

Tijgerpels – Pallolium tigrinum (O.F.Müller, 1776)

Zondagmorgen 13 juli 2014. Hoewel de getijden in de zomer minder goed zijn dan in najaar en winter, we hebben vandaag een verlaging van 131 cm, verzamelen rond half tien Hans Post, Frans Slieker, Gerrie Nuninga, Rob Vink, Steven Campbell, Jordy van der Beek en Frans de Jong op de parkeerplaats achter het restaurant “de Zeester” aan de Gorishoeksedijk op het eiland Tholen. Het lijkt wel herfst. Leigrijze luchten, donder en bliksem en een gestage regen, een straffe zuidwesten wind. De thermometer in de auto geeft 16˚ C aan. Niet bepaald wat we verwachten van een zomerochtend in juli!

Winterse omstandigheden in juli

Winterse omstandigheden in juli

Omdat ” de Zeester” nog dicht is, wijken we voor een kop koffie uit naar de “Gorishoekse Hoeve”, tot het tegen tienen is opgehouden met onweren. Ondanks de vrolijk kletterende regen besluiten we een nat pak te halen en het wad op te gaan. Eerst langs de dijkvoet naar de tweede strekdam, naast ontelbare oesterschelpen (zowel C. gigas als O. edulis) zien we enkele vrij gave, maar dode wulken Buccinum undatum Linnaeus, 1758.

Het harige porceleinkrabbetje Porcellana platycheles (Pennant, 1777) - foto © Jordy van der Beek

Het harige porceleinkrabbetje Porcellana platycheles (Pennant, 1777) – foto © Jordy van der Beek

Op de tweede strekdam zien we op en onder stenen, beide exoten de Japanse Stekelhoorn of Japanese oyster drill Ocinebrellus inornatus (Récluz, 1851) en de Amerikaanse stekelhoorn of Atlantic oyster drill, Urosalpinx cinerea (Say, 1823), in tegenstelling tot vorige bezoeken is deze laatste de meest dominante soort, we zien er vele die eieren aan het afzetten zijn. We zien ook enkele autochtone purperslakken, Nucella lapillus (Linnaeus, 1758), maar beduidend minder algemeen dan afgelopen winter, dit kan overigens goed te maken hebben met het feit dat de verlaging 40 cm minder is, vergeleken met ons vorige bezoek.

Lopend op het wad, naar het westen richting eerste strekdam, vindt Rob nog fraai doublet van de Amerikaanse venusschelp Mercenaria mercenaria (Linnaeus, 1758), buiten een enkele klep van Venus casina Linnaeus, 1758, levert het wad weinig bijzonders op.

Stenen keren (Frans en Frans) - foto © Jordy van der Beek

Stenen keren (Frans en Frans) – foto © Jordy van der Beek

Aangezien we toch al nat zijn, schromen we niet om bij de eerste strekdam en de wateroverloop zo ongeveer alle stenen te keren. Eronder treffen we veel leven aan:  de asgrauwe keverslak, Lepidochitona cinerea (Linnaeus, 1767) is alomtegenwoordig. Verder broodspons Halichondria panicea Pallas,1766 en diverse zakpijpen. Ook de stekelhuidigen zijn weer ruim vertegenwoordigd. Onder vrijwel elke steen gewone zeesterren, Asterias rubens Linnaeus, 1758, nu adult en ook vele brokkelsterren Ophiothrix fragilis Abildgaard in O.F. Müller, 1789. Qua krabben vooral de strandkrab Carcinus maenas (Linnaeus, 1758) en het harige porceleinkrabbetje Porcellana platycheles (Pennant, 1777).  Frans en Gerrie verzamelen een emmer vol oesters en alikruiken voor het diner.

Na anderhalf uur zijn we totaal doorweekt en besluiten we terug te gaan. Dan doet Hans nog een puike vondst: een klein (22 mm) vrijwel glad pectenklepje. Het is een tijgerpels Pallolium tigrinum (O.F. Müller, 1776), dit is een nieuwe soort voor Gorishoek. Op de klep zijn de aanhechtingen van byssusdraden van de mossel zichtbaar. Dit is een aanwijzing van de herkomst van deze tijgerpels, een noordelijke soort, waarschijnlijk meegekomen met mosselbroed uit het Skagerak of Kattegat bij Denemarken.

Inmiddels is de “Zeester” open gegaan. Terwijl we geleidelijk aan opdrogen laten we ons dampende vissoep en memorabele tosti’s voorzetten. De side-dish, een “snaaiplank”, mag niet onvermeld blijven. Ondanks het regen en kou toch weer een geslaagde inventarisatie.

Rijk voorziene dis bij "de Zeester"  - foto © Jordy van der Beek

Rijk voorziene dis bij “de Zeester” – foto © Jordy van der Beek

Geplaatst in Good food, Marine biology, Mollusca, Natural history | Tags: , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

2th European Scaphopod Workshop in Haus der Natur – Cismar

 

Scaphopodteam - Frans, Jordy and Bernd (photo Vollrath Wiese)

Scaphopod-team – Frans, Jordy and Bernd (photo Vollrath Wiese; © Haus der Natur)

During the last week of April 2014 Jordy van der Beek and I were invited by Dr Bernd Sahlmann and Dr Vollrath Wiese of the Haus der Natur in the North of Germany for a second European workshop on Scaphopoda (Tuskshells).

Like during the first workshop in 2013, Bernd and Vollrath arranged excellent accommodation for Jordy (and his parents and sister) & me and we experienced their great hospitality, not only for using microscopes, literature and photo-equipment of the institute, but also much “kuche” and coffee and a nice dinner (many thanks to Gyde) at the last day of the workshop. During the workshop we discussed several subjects:

  • The identity of a large Fissidentalium from the East China Sea;
  • The scaphopods from the Red Sea;
  • The scaphopods from Indonesia and the Rumphius’ Biohistorical Expedition;
  • Deepwater material from Western Africa.

 Thanks to loan of the Tel Aviv University, Israel and the Hebrew University of Jerusalem, Israel; for which we are Henk K. Mienis very greatfull, we were for the first time able to study deepwater forms from Red Sea locations. We could also establish Dentalium elephantinum Linnaeus, 1758, as a species belonging tot the Red Sea fauna.

Jordy and Vollrath study Gadila anguidens from Manngar Beach - Kalimantan

Jordy and Vollrath study Gadila anguidens from Manngar Beach – Kalimantan (Photo© Frans de Jong)

We spent a day studying specimens from Indonesia, and got a better understanding of the scaphopod faunas of Western Java, Kalimantan and Ambon Island.

The last day of the workshop we focused on West African material, mainly consisting of deepwater Cadulus.

 

We may call the workshop a great success and Jordy and I hope to meet our German friends again in 2015.

Jordy, Bernd,Frans & Vollrath in front of the Haus der Natur (photo Haus der Natur)

Jordy, Bernd, Frans & Vollrath in front of the Haus der Natur (photo ©Haus der Natur)

 

Geplaatst in Marine biology, Mollusca, Natural history, Scaphopods | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Exoten vestigen zich op de tweede strekdam bij Gorishoek – Tholen.

Galathea squamifera Leach, 1815 (foto Hans Post)

Galathea squamifera Leach, 1815 (foto Hans Post)

Hans Post en ik arriveren op zondagmorgen 2 februari 2014 omstreeks half elf bij de parkeerplaats achter het restaurant “de Zeester” aan de Gorishoeksedijk op het eiland Tholen. In de auto staat de thermometer op  4,5° Celsius, maar de lucht is strakblauw met een fel winterzonnetje. Als uitstappen blijkt er een harde wind uit het zuidwesten te staan, minstens 5 Bft., die de gevoelstemperatuur reduceert tot rond het vriespunt. Het is extreem laagwater, lager dan we ooit hebben waargenomen bij Gorishoek en het tij zal nog dalen, om 11:15 uur hebben een verlaging van -172 cm!

Hans Post laat zien, waar de normale waterstand uitkomt (let op algengroei op de staak)

Hans Post laat zien, waar de normale waterstand uitkomt (let op algengroei op de staak)

Het moet flink tekeer zijn gegaan de laatste weken, want er zijn heel wat planken losgeslagen van de steiger bij de parkeerplaats en schelpen zijn opgestuwd tot bovenaan de dijk. We lopen direct door naar de tweede strekdam, onderweg zien we talloze wulken Buccinum undatum Linnaeus, 1758 (allemaal kapot) en volwassen doubletten van de Filippijnse tapijtschelp Venerupis philippinarum (Adams en Reeve, 1850), te midden van miljoenen oesterkleppen (zowel C. gigas als O. edulis). Aangekomen bij de tweede strekdam blijkt deze geheel droog te liggen, op het eind zien we veen tussen de stenen, die zijn begroeid met roodwieren, suikerwier Saccharina latissima (Linnaeus) Lamouroux, 1813, Japans bessenwier Sargassum muticum Fensholt, 1955 en sponzen.  De Japanse Stekelhoorn of Japanese oyster drill Ocinebrellus inornatus (Récluz, 1851) zien we volop, niet alleen juvenielen, zoals de vorige keer, maar ook volwassen exemplaren.

Ocinebrellus inornatus (Récluz, 1851) op tweede strekdam (foto Hans Post)

Ocinebrellus inornatus (Récluz, 1851) op tweede strekdam (foto Hans Post)

De Amerikaanse stekelhoorn of Atlantic oyster drill, Urosalpinx cinerea (Say, 1823) is wat minder algemeen, maar toch alom tegenwoordig, dat geldt ook voor de autochtone purperslakken, Nucella lapillus (Linnaeus, 1758). We vinden dit keer niet zoveel eieren, wel een kersvers eikapsel van de Wulk Buccinum undatum Linnaeus, 1758. Onder de stenen wemelt het van de harige porceleinkrabbetjes Porcellana platycheles (Pennant, 1777).

Ook de stekelhuidigen zijn ruim vertegenwoordigd. Onder vrijwel elke steen juveniele gewone zeester, Asterias rubens Linnaeus, 1758 en dit maal ook vele Brokkelsterren Ophiothrix fragilis Abildgaard in O.F. Müller, 1789, mogelijk ook een tweede soort. Een impressie van het “stenenkeren” is te zien via deze link; de geluidskwaliteit laat te wensen over door de straffe wind.

We gaan terug naar de eerste strekdam, ook hier de bekende exoten. Hans’ oog valt op de vele schaalhorens, Patella vulgata Linnaeus 1758, hij telt er vijftig op een vierkante meter, ook de kleinste stenen hebben hun Patella. Op het vlak voor de uitstroom van de oude oesterput bij de eerste strekdam, draait Frans een steen om en bingo! Twee galathea’s.

Galathea squamifera, de opropkreeft.

Galathea squamifera, de opropkreeft.

Het is dezelfde soort als in maart 2013: de Zwarte galathea of oprolkreeft, Galathea squamifera Leach, 1815, prachtige beestjes! Dit zijn gelijk ook de twee enige die we zien, al keren we nog menige steen.

Op de schelpenbanken tussen de eerste en de tweede strekdam, kunnen we door het extreem lage water, verder komen dan anders en dat levert in korte tijd zeven doubletten van Amerikaanse venusschelp Mercenaria mercenaria (Linnaeus, 1758) op. Bij thuiskomst blijken er zes een dier te bevatten.

Mercenaria's blijken bij het schoonmaken de dieren te bevatten.

Mercenaria’s blijken bij het schoonmaken de dieren te bevatten.

Nog twee bijzondere vondsten zijn een klep van de Artemisschelp Dosinia exoleta (Linnaeus,1758) en een klep van de Stevige platschep Arcopagia crassa (Pennant, 1777), die hebben we nog niet eerder aangetroffen.

V.l.n.r.: doublet Venus verrucosa; Dosinia exoleta en Arcopagia crassa

V.l.n.r.: doublet Venus verrucosa; Dosinia exoleta en Arcopagia crassa

Als uitsmijter nog een mooi vers doublet van de Wrattige venusschelp Venus verrucosa Linnaeus, 1758. Op de terugweg naar de parkeerplaats zien weer ingegraven, dode doubletten van de strandgaper Arenomya arenaria (Linnaeus, 1758) en veel verse Platte slijkgapers Scrobicularia plana (Da Costa, 1778). Hans raapt nog een mooi monster verse Asgrauwe tolhorens Gibbula cineraria (Linnaeus, 1758) op tegen de dijk.

Restaurant “De Zeester” vergast ons ditmaal op een rijk gevulde vissoep met stokbrood en smeersels, vergezeld van een Westmalle tripel, om de dag te completeren.

Rijk gevulde vissoep bij "De Zeester".

Rijk gevulde vissoep bij “De Zeester”.

Geplaatst in Good food, Marine biology, Mollusca, Natural history, Travel | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Eerste inventarisatie Gorishoek in 2014

Enorme doubletten van de Amerikaanse venusschelp, Mercenaria mercenaria (Linnaeus, 1758)

Enorme doubletten van de Amerikaanse venusschelp, Mercenaria mercenaria (Linnaeus, 1758)

Het is zondag 5 januari en schitterend weer, vooral achter glas, want als Hans Post, Rob Vink en ik om half elf (twee uur voor laagwater) uit de auto stappen worden we verrast door een ijskoude, straffe wind uit het zuidwesten, ongeveer 5 Bft. De temperatuur is 8° Celsius, maar de zon schijn volop. We verwachten een verlaging van -170 cm, ook nu is wad wat al behoorlijk drooggevallen. De toegang bij de parkeerplaats geheel overdekt met een dik wierpakket. Ongeveer een kwartier later arriveert Jordy van der Beek, gewapend met camera en emmer die weldra gevuld is met wulken Buccinum undatum Linnaeus, 1758, volwassen doubletten van de Filippijnse tapijtschelp Venerupis philippinarum (Adams en Reeve, 1850) en pectenkleppen [Pecten maximus (Linnaeus, 1758) Aequipecten opercularis (Linnaeus, 1758)]. We vinden er meer dan anders, vaak mooie verse exemplaren, maar wel allemaal dood.

Een palet van exoten

Een palet van exoten

De Asgrauwe keverslak Lepidochitona cinerea (Linnaeus, 1758)

De Asgrauwe keverslak Lepidochitona cinerea (Linnaeus, 1758)

Naar mate het water verder zakt, komt de eerste strekdam en het overstroomgebiedje aan het einde ervan, vrij te liggen. Onder elke steen volop keverslakken: de Asgrauwe keverslak Lepidochitona cinerea (Linnaeus, 1758). Maar ook legio alikruiken Littorina littorea (Linnaeus, 1758), Asgrauwe tolhorens Gibbula cineraria (Linnaeus, 1758) en levende Schaalhorens, Patella vulgata Linnaeus 1758. Hans raapt in korte tijd een gripzak vol dode exemplaren op; een mooi monster…

De Amerikaanse stekelhoorn Urosalpinx cinerea (Say, 1823)  met eieren

De Amerikaanse stekelhoorn Urosalpinx cinerea (Say, 1823) met eieren

Ook de exoten, de Amerikaanse stekelhoorn of Atlantic oyster drill, Urosalpinx cinerea (Say, 1823) en de Japanse Stekelhoorn of Japanese oyster drill Ocinebrellus inornatus (Récluz, 1851) zien we volop, het zijn vaak juvenielen, maar ook een flinke hoeveelheid volwassen dieren die volop aan het eieren afzetten zijn. Onder stenen vinden we sponzen en zakpijpen (waaronder de Japanse zakpijp Styela clava Herdman, 1882) en een enkel penseelkrabbetje Hemigrapsus takanoi Asakura & Watanabe, 2005; kleine exemplaren. Tevens massaal het harige porceleinkrabbetje Porcellana platycheles (Pennant, 1777). Ook de stekelhuidigen zijn goed vertegenwoordigd. Grote hoeveelheden juveniele gewone zeester, Asterias rubens Linnaeus, 1758 en regelmatig Brokkelsterren Ophiothrix fragilis Abildgaard in O.F. Müller, 1789. We zien ook gewone zeeappels Psammechinus miliaris (Müller, 1771), levend en aangespoelde skeletten.

Diverse stekelhuidigen onder een steen

Diverse stekelhuidigen onder een steen

Op de schelpenbanken tussen de eerste en de tweede strekdam vinden we de gebruikelijke soorten, al liggen er opmerkelijk weinig pelikaansvoet Aporrhais pespelicani (Linnaeus, 1758) en penhoorn Turritella communis (Risso, 1826) dit keer. Wel vinden we vrijveel kleppen van Venus casina Linnaeus, 1758 en de breedgeribde astarte, Astarte sulcata (Da Costa, 1778), Rob raapt achteloos een paar doubletten op. Ditmaal alleen kleppen van noordkromp, Arctica islandica (Linnaeus, 1767). Ik vind een klep van de tere hartschelp Acanthocardia paucicostata (G.B. Sowerby II, 1834), voor mij een nieuwe soort voor dit gebied.

Bij het laagste water vinden half in het zand ingegraven enorme doubletten van de Amerikaanse venusschelp, Mercenaria mercenaria (Linnaeus, 1758) sommige leven andere zijn leeg, tevens ingegraven doubletten van de strandgaper Arenomya arenaria (Linnaeus, 1758), deze zijn echter allemaal dood.

Vele purperslakken, Nucella lapillus (Linnaeus, 1758)

Vele purperslakken, Nucella lapillus (Linnaeus, 1758)

Op de tweede strekdam vinden we vele purperslakken, Nucella lapillus (Linnaeus, 1758), ook hier zijn ze volop bezig met eieren leggen. Voor het eerst nemen hier echter ook juveniele Japanse Stekelhoorns Ocinebrellus inornatus (Récluz, 1851) waar, we zullen naarstig in de gaten houden hoe de autochtone purperslak en de exoot elkaar verdragen.

Juveniele purperslak en Japanse stekelhoorn naast elkaar op de tweede strekdam

Juveniele purperslak en Japanse stekelhoorn naast elkaar op de tweede strekdam

Een uur na laagwater verlaten we het wad en frequenteren “De Zeester”, waar we ons tegoed doen aan warme chocolademelk en Westmalle tripel, de tosti’s XXL zijn de moeite van het wachten waard, dat is maar goed ook, want de wachttijd voor de keuken is één uur.

Hoge bewolking kondigt de komst van een weersysteem aan

Hoge bewolking kondigt de komst van een weersysteem aan

Geplaatst in Marine biology, Mollusca, Natural history, Travel | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Grote soortenrijkdom aan weekdieren bij Gorishoek

Juveniele zeesterren, Asterias rubens

Juveniele zeesterren, Asterias rubens Linnaeus, 1758

De mooiste lage waters in Zeeland vallen in de winter.  Voor zondag 8 december 2013, wordt een verlaging van -157 cm verwacht. Hoewel we vreesden dat de storm van de week tevoren nog zou zorgen voor verhoging in de Oosterschelde, wagen Hans Post en ik het er op en arriveren 12:15 uur, ruim een uur voor laag water bij Gorishoek. Het is behoorlijk koud; 8° Celsius en er staat een stevige ZW wind, ca. 5 Bft.  De sporen van de storm zijn nog goed te zien op de parkeerplaats achter “De Zeester”, er ligt een “stormlijn” tot halverwege de parkeerplaats van stenen, lege schelpen en wier.

Hans en Frans bij Gorishoek

Hans en Frans bij Gorishoek

Omdat het water nog aan het zakken is, onderzoeken we eerst de schelpenbanken tussen de eerste en de tweede strekdam. Dat levert een rijkdom aan schelpensoorten op. We wanen ons in een combinatie van Bretagne en Denemarken. Dan voegt Rob Vink zich bij het gezelschap, die de moeite heeft genomen om, om te rijden vanaf z’n afspraak in Antwerpen. Dat is de ware mentaliteit en die wordt beloond.

De volgende soorten nemen we waar, tussen de banken van duizenden Japanse oesters Crassostrea gigas, Thunberg, 1793 en mosselschelpen, Mytilus edulis, Linnaeus 1758:

Soortenrijkdom een compilatie (foto Hans Post)

Soortenrijkdom een compilatie (foto Hans Post)

  • De Gewone marmerschelp, Glycymeris glycimeris (Linnaeus, 1758), regelmatig losse kleppen
  • Oester, Ostrea edulis Linnaeus, 1758, regelmatig kleppen en doubletten
  • De Grote mantel, Pecten maximus (Linnaeus, 1758), regelmatig losse kleppen
  • De wijde mantel, Aequipecten opercularis (Linnaeus, 1758), losse kleppen, waarvan een zeer vers lijkt
  • De Breedgeribde astarte, Astarte sulcata (Da Costa, 1778), verse kleppen en enkele doubletten
  • De Noordkromp, Arctica islandica (Linnaeus, 1767), verse kleppen, gebroken doubletten, met de slotband intact en Rob vindt een doublet, het lijkt levend, maar blijkt, toch dood bij het schoonmaken

    Rob Vink met een zojuist gevonden Noordkromp

    Rob Vink met een zojuist gevonden Noordkromp

  • De Gedoornde hartschelp, Acanthocardia echinata (Linnaeus, 1758), enkele losse kleppen
  • De Kokkel, Cerastoderma edule (Linnaeus, 1758), regelmatig verse doubletten
  • De Ovale strandschelp, Spisula elliptica (Brown, 1827), een enkele, zeer verse klep met periostracum
  • De Platte slijkgaper, Scrobicularia plana (Da Costa, 1778), vrij veel, verse doubletten
  • De Breedgeribde venusschelp, Clausinella fasciata (Da Costa, 1778), een enkele geërodeerde klep
  • De Amerikaanse venusschelp, Mercenaria mercenaria (Linnaeus, 1758), regelmatig losse kleppen en een drietal doubletten
  • De Wrattige venusschelp, Venus verrucosa Linnaeus, 1758, een losse klop
  • Venus casina Linnaeus, 1758, regelmatig losse kleppen

    Wrattige venusschelp

    Wrattige venusschelp

  • De Tapijtschelp, Venerupis senegalensis (Gmelin 1791)
  • De Filippijnse tapijtschelp, Venerupis philippinarum (Adams en Reeve, 1850), overal verse doubletten
  • Het muiltje, Crepidula fornicata (Linnaeus, 1758), massaal levend, in kettingen en dood
  • De alikruik, Littorina littorea (Linnaeus, 1758), massaal levend en dood
  • De Stompe alikruik, Littorina obtusata (Linnaeus, 1758), mogelijk L. fabalis (Turton, 1825), regelmatig levend en dood
  • De Pelikaansvoet, Aporrhais pespelicani (Linnaeus, 1758), tientallen, vrij oud uitziende exemplaren
  • Wenteltrap, Epitonium clathrus (Linnaeus, 1758), een vers exemplaar
  • Stekelhoren, Ocenebra erinaceus (Linnaeus, 1758), een vers exemplaar
  • Wulk, Buccinum undatum Linnaeus, 1758, tientallen, meestal beschadigd en een zeer vers exemplaar.

We zetten ons onderzoek voort op de tweede strekdam, hier treffen we de inheemse purperslak, Nucella lapillus (Linnaeus, 1758) massaal aan, volop eierafzetting, ook grote hoeveelheden juveniele Gewone zeesterren, Asterias rubens Linnaeus, 1758 en onder vele stenen Brokkelsterren Ophiothrix fragilis Abildgaard in O.F. Müller, 1789. Verder talloze alikruiken, Asgrauwe tolhorens Gibbula cineraria (Linnaeus, 1758) en levende Schaalhorens, Patella vulgata Linnaeus 1758, we zien ook regelmatig Asgrauwe keverslakken, Lepidochitona cinerea (Linnaeus, 1758).

Bij de eerste strekdam vinden we, naast de eerder genoemde soorten, de Amerikaanse stekelhoorn of Atlantic oyster drill, Urosalpinx cinerea (Say, 1823) volop en ook de Japanse Stekelhoorn of Japanese oyster drill Ocinebrellus inornatus (Récluz, 1851). Ook hier veel exemplaren met eieren. Op de stenen zien ditmaal veel sponzen.

Omdat het nog redelijk vroeg in de middag is, als we na tweeënhalf uur terugkeren bij de auto, besluiten Hans, Rob en ik nog “even” te gaan kijken bij Strand Middelduinen, bij Ouddorp, waar op 1 december 2013 honderden zeesterren, zeepieren, zeemuizen en talloze levende Amerikaanse zwaardschede, Ensis directus (Conrad, 1843) waren aangespoeld. Dat “even” bleek een autorit van een uur. Helaas leverde dit uitstapje slechts een winderig strand met half ondergestoven tepelhorentjesgruis op.

Strand bij Ouddorp

Strand bij Ouddorp

Vanwaar die rijkdom aan soorten bij Gorishoek?

Al met al een troffen we vandaag bij Gorishoek weer een interessante mix van locale, noordelijke een zuidelijke soorten weekdieren aan, de oorzaak hiervan wordt verklaard in een studie van J.M.W. Wijsman & I. de Mesel “Duurzame Schelpdiertransporten“, Wageningen IMARES rapport C067/09, 2009 pp. 1-111.

Wegens een tekort aan Nederlandse grondstoffen (zaad, halfwas en consumptie) onttrekt de Nederlandse schelpdierindustrie schelpdieren uit verschillende landen.  Wijsman en De Mesel noemen: Engeland, Wales, Schotland, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Noord-Frankrijk en Canada. Regelmatige aanvoer van levend materiaal uit deze landen verklaart de grote diversiteit van leven bij Gorishoek. De gevolgen van het feit dat veel exoten zich weten te vestigen, zijn moeilijk te voorspellen. Mij valt op dat nu ook bij Gorishoek Crassostrea gigas-riffen aan het vormen zijn, terwijl er van oorsprong veel losliggende stenen zijn. Ik hoop dat dit proces de soortenrijkdom niet zal verstikken.

Via deze link kun je het volledige IMARES rapport downloaden.

Geplaatst in Marine biology, Mollusca, Natural history | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen